Alles in een rifaquarium hangt af van de samenstelling van je water. Zout aanmaken is geen kunst, maar slordigheid erin kost je koralen.
Begin bij osmosewater
Gebruik altijd RO- of RO/DI-water, nooit kraanwater. Kraanwater bevat fosfaat, nitraat, silicaat en koper — precies de stoffen die je in een rif niet wilt. Meet je osmosewater met een TDS-meter; loopt de waarde op, dan zijn je filters of je hars aan vervanging toe.
Aanmaken
- Doe eerst het water in de emmer, dan pas het zout. Andersom kan het zout klonteren en niet volledig oplossen.
- Laat het met een pomp minimaal een paar uur, liefst een nacht, doormengen.
- Breng het op temperatuur vóór je meet, want dichtheid is temperatuurafhankelijk.
- Maak niet meer aan dan je binnen een paar weken gebruikt, en houd de emmer afgesloten.
Meten
Een refractometer is nauwkeuriger dan een drijver en goedkoop genoeg om te hebben. IJk hem regelmatig met kalibratievloeistof — een refractometer die je nooit ijkt geeft je met veel vertrouwen een verkeerd getal. De meeste rifaquaria draaien rond een dichtheid die past bij natuurlijk zeewater; belangrijker dan het exacte getal is dat het niet verandert.
Bijvullen versus wisselen
Dit is de fout die het vaakst gemaakt wordt: verdampt water vul je aan met puur osmosewater, zonder zout. Het zout verdampt namelijk niet. Vul je bij met zeewater, dan loopt je dichtheid langzaam op zonder dat je het doorhebt. Voor waterwissels gebruik je wél aangemaakt zeewater, op dezelfde dichtheid en temperatuur als je aquarium.
Automatisch bijvullen
Een niveauregeling met een voorraadvat houdt je dichtheid veel stabieler dan handmatig bijvullen. Bouw er een dubbele beveiliging in, zodat een vastgelopen sensor niet je hele voorraadvat leegpompt.
Welk zout bij jouw systeem past hangt af van je koralen en je doseerschema. Loop binnen in Eindhoven, dan kijken we mee.






